Verwijzers

Psychologenpraktijk Psy-Noord verleent geestelijke gezondheidszorg in de Basis GGZ. Bij ons kunnen cliënten terecht met een laag complexe en matig risicovolle psychiatrische (DSM-V) aandoening. Het uitgangspunt bij de behandeling is het aanpakken van mentale klachten door een zo kort maar krachtig mogelijke behandeling toe te passen.

  • Psychologenpraktijk Psy-Noord biedt behandelingen voor Angst- en Stemmingstoornissen, Trauma, ADHD, lichte Persoonlijkheidsproblematiek, Lichte tot milde problemen in de Emotie- en Agressieregulatie. 

 

  • De praktijk biedt geen behandelingen voor Eetstoornissen, Verslaving, Autisme, Psychotische stoornissen, Bipolaire stoornissen.

 

  • Verder zijn verwijscriteria voor de Generalistische basis GGZ geldend. In deze kolom vindt u de globale criteria. In de rechter kolom de uitgebreide criteria.

 

Verwijzing criteria GGZ op hoofdlijnen

Aan de hand van bovenstaande criteria worden cliënten in grote lijnen als volgt verwezen:


Verwijzing naar de GGGZ is aan de orde bij:

● een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een DSM-benoemde stoornis. De ‘score’ op andere criteria is in die gevallen niet doorslaggevend.

 

Behandeling door Huisarts + POH GGZ zelf (dus geen verwijzing naar de GBGGZ of GGGZ) is aan de orde bij:
● geen vermoeden van DSM-benoemde stoornis; of

● vermoeden DSM-benoemde stoornis, maar daarbij is de ernst licht of subklinisch, het risico laag, de complexiteit afwezig en de duur (beloop) van de symptomen beantwoordt (nog) niet aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld; of
● stabiele chronische problematiek, niet crisisgevoelig en met een laag risico.

 

In alle andere gevallen ligt verwijzing naar de GBGGZ voor de hand.

In de rechterkolom worden de verwijscriteria uitgebreid beschreven.

Uitgebreide verwijscriteria GGZ:

Hieronder zijn de criteria verder uitgewerkt door per criterium aan te geven wat de relevante ‘waarden’ van het criterium zijn. De criteria vormen de aanzet voor een checklist voor de huisarts om te bepalen in welk echelon de hulpvraag van de cliënt kan worden opgepakt. De essentiële meerwaarde van deze checklist is, dat elke huisarts (al of niet ondersteund door POH-GGZ) al deze criteria beoordeelt, zodat kan worden bepaald welk echelon naar verwachting het best passend is voor de cliënt.

 

Vermoeden DSM-benoemde stoornis

● Er is een vermoeden van een DSM-benoemde stoornis.
● Er is geen vermoeden van een DSM-benoemde stoornis, er is enkel sprake van klachten.

Ernst problematiek

● Subklinisch: er is wel sprake van klachten maar dit is onvoldoende om een diagnose te stellen.
Ondanks het ontbreken van een diagnose kunnen de impact van de klachten op het dagelijks functioneren en de duur van de klachten reden zijn om gepaste hulp te bieden.
● Licht: er is sprake van relatief weinig kernsymptomen maar dit is wel voldoende om een diagnose te stellen. De impact van de klachten op het dagelijks functioneren is beperkt. De cliënt ervaart een
zekere belemmering in het dagelijks functioneren.
● Matig: de kernsymptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig en daarnaast is er sprake van een aantal aanvullende symptomen. Er is sprake van waarneembare beperkingen in het dagelijks
functioneren.
● Ernstig: de meeste symptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig. Er is sprake van uitval en/of substantiële beperkingen in het dagelijks functioneren (bijvoorbeeld niet kunnen werken).

Om de ernst van de problematiek te kunnen bepalen zou een GAF score gebruikt kunnen worden.
Experts geven aan te twijfelen aan de bruikbaarheid van de GAF als meetinstrument. Indien GAF
wordt gebruikt, dan correspondeert ‘licht’ met een score 61-70, ‘matig’ met een score 51-60 en
‘ernstig’ met een score 1-50.

Risico

In dit criterium zijn ook de contextuele factoren en het vermogen tot zelfmanagement opgenomen.
● Laag: er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide,
(huiselijk) geweld, kindermishandeling of automutilatie.

● Matig: er zijn duidelijke klachten/symptomen of er is sprake van een latent gevaarsrisico, maar er staan beschermende factoren tegenover zoals: adequate coping, werk of structurele daginvulling en
een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, zorg, praktische en emotionele steun.
● Hoog: er zijn duidelijke aanwijzingen (ook intuïtief) die kunnen duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, (huiselijk) geweld,
kindermishandeling of automutilatie.

Complexiteit

● Afwezig: er is sprake van een enkelvoudig beeld.
● Laag: er is weliswaar sprake van comorbiditeit of problematiek op As 2 (persoonlijkheid, zwakzinnigheid), As 3 (somatische factoren) of As 4 (psychosociale en omgevingsproblemen), maar
deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose.
● Hoog: er is sprake van ingewikkelde comorbiditeit of problematiek op As 2, 3 of 4 die om multidisciplinaire behandeling in een gespecialiseerde setting vraagt.

Beloop klachten

● De duur van de symptomen beantwoordt (nog) niet aan de criteria uit de DSM richtlijn voor het betreffende ziektebeeld.
● Er is sprake van aanhoudende/persisterende klachten. Eerdere interventies hebben onvoldoende effect bewerkstelligd.
● De duur van de symptomen beantwoordt aan de criteria uit de DSM richtlijn voor het betreffende ziektebeeld.
● Er is sprake van recidive.
● Er is sprake van stabiele chronische problematiek, niet crisisgevoelig.
● Er is sprake van stabiele chronische problematiek, crisisgevoelig.
● Er is sprake van instabiele chronische problematiek.